Eerste boetpsalm
61Een psalm van David, voor de koorleider, bij snarenspel, op ‘De achtste’. 2HEERE, straf mij niet in Uw toorn, bestraf mij niet in Uw grimmigheid! 3Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt, genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt. 4Ja, mijn ziel is zeer door schrik overmand. En U, HEERE, hoelang nog? 5Keer terug, HEERE, red mijn ziel, verlos mij, omwille van Uw goedertierenheid. 6Want in de dood is er geen gedachtenis aan U,wie zal U loven in het graf? 7Ik ben moe van mijn zuchten, heel de nacht maak ik mijn bed nat, doorweek ik mijn rustbank met mijn tranen. 8Mijn ogen zijn verzwakt van verdriet, ze zijn oud geworden vanwege al mijn tegenstanders. 9Ga weg van mij, u allen die onrecht bedrijft, want de HEERE heeft mijn luide geween gehoord. 10De HEERE heeft mijn smeken gehoord, de HEERE zal mijn gebed aannemen.11Al mijn vijanden worden zeer beschaamd en door schrik overmand; zij deinzen terug, zij worden in een ogenblik beschaamd.
Psalm 6
Beschouwing
We zeggen wel eens de enige zekerheid in het leven dat je hebt is dat je een keer doodgaat. Als gezond mens weet je dat, maar pas bij (ernstige) ziekte kan het besef dat je doodgaat er inslaan als een bom. Het leven is dan niet leuk meer, omdat het gepaard gaat met pijn en verdriet. Het lichaam werkt niet meer mee. Dit komt ook sterk naar voren in deze Psalm. Kijkend door de ogen van deze Psalmschrijver dan besef je de afschuwelijkheid van het zicht op de dood. De Psalmschrijver had nog niet de kennis van de Here Jezus zoals wij die anno 2021 hebben. In de tijd van de Psalmschrijver wist men dat het leven gegeven werd door God. Dit leven eindigt op het moment dat men doodgaat, daarna was er de sjeool, een bestaan wat niet echt duidelijk was. Het ziekzijn betekende in die tijd het anticiperen op de sjeool. Het is dan ook erg moeilijk om bij ziekte je te verheugen in God en Hem te prijzen. De Psalmschrijver noemt in vers 6 de afschuwelijke gedachte dat God er niet is, dat het prijzen van God niet meer mogelijk is.
Wat zijn wij dan bevoorrecht als Christenen die de Here Jezus kennen. Wij kennen het verhaal van Zijn lijden, Zijn sterven en Zijn Opstanding. Wij kennen de belofte van een eeuwig leven voor ons (Joh. 3:16). Maar zelfs met deze kennis kan de dood, ziekte hard zijn. Als we hiermee te maken hebben, dan is het zeker niet altijd makkelijk om te steunen op je geloof in God, steunen op de belofte van een eeuwig leven. Het fundament van ons geloof kan door ziekte, dood aangetast worden of misschien wel weggeblazen.
Nu is Mijn ziel in beroering en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit dit uur. Maar hierom ben Ik in dit uur gekomen. 28Vader, verheerlijk Uw Naam! Er kwam dan een stem uit de hemel: En Ik heb hem verheerlijkt en Ik zal hem opnieuw verheerlijken”.
Joh. 12:27
Het Griekse woord ‘tetaraktai’ wordt hier vertaald met in beroering brengen. Andere vertalingen zijn ‘doodsbang’ (NBV), ‘ontroerd’ (NBG’51), ‘verbijsterd’ (Naardense Bijbel), ‘bang’(BGT). Ziekte en dood kunnen al deze emoties oproepen (en daar kunnen we vast ook wel boosheid, verwarring aan toevoegen). Wat dat betreft zouden wij delen van dit Psalm ook naar God kunnen uitroepen. Laten we proberen te kijken naar Jezus, Hij was (doods)bang, maar vertrouwde op God, Zijn Vader. God die het leven geeft, God die het leven is. Het afscheid, de pijn, het verdriet om iemand te laten gaan zal ondanks het vertrouwen wat wij hebben in God nog steeds afschuwelijk zijn, hartverscheurend. Ja zeker, hartverscheurend! Maar ik hoop en bid dat de belofte ons helpt om door te gaan, om ons leven draaglijk te maken.

