Gedicht: Genade kost meer dan recht
Genade kost meer dan recht,
het is met liefde verweven als een vlecht;
het is een geliefde, dus meer dan een knecht.
De verloren zoon verkwiste zijn kroon;
Had Vader hem recht gedaan dan had Hij hem moederziel alleen in de kou laten staan.
Juist het tegenover gestelde van dat: Vader keek uit gedurende de hele nacht.
‘Kijk! Daar komt Uw zoon aangelopen’. Vaders ogen schrokken open.
Met Zijn broekspijpen omhoog getrokken,
sprintte Vader iedereen voorbij op wollen sokken.
De mens zonder naam kwam er bevend aan en bleef stil… op een afstandje staan.
Hij was van Vader gescheiden en kon de engelen, Vaders knechten, wel benijden.
Nog voor hij kon spreken, zei Vader: ‘Kom weer in Mijn leven!
Je bent meer dan een knecht; Mijn hart is aan jouw gehecht.
Zoon spits je oren en begrijp Mijn woorden; Waarom neen Ik je weer aan als zoon
en krijg je niet je verdiende loon:’
“Voel je de zon; de verschillende kleuren op je gezicht?
Voel je de regen; de sneeuwvlokken smeltend op je aangezicht?
Gebundeld tonen ze Mijn genade in een vergezicht.
Begrijp je het; waarvoor ik mijn getuige, mijn boog, heb opgericht?
Ze, mijn regenboog, toont Mijn genade in vele kleuren licht.
Ze, mijn herinnering, bestaat uit de kleuren liefde, trouw en recht.
Ze is Mijn getuige, Mijn trouwe knecht.
Liefde toont: Je zou Me weggeven voor een beter leven.
Toch kwam Ik jou halen, moest daarvoor een dure prijs betalen.
Trouw toont: Trots ging je, je eigen weg; als een schaapje opzoek naar je eigen weide.
Toch kwam Ik Mijn woorden na en verbond ons weer met elkaar.
Recht toont: Ik ben niet verandert, toch wil je Mij niet nemen zoals IK BEN.
Toch BEN IK nooit gestopt je te onderwijzen, te vermanen als een kind;
totdat je mijn wegen, mijn leven vindt.”
‘Met open armen heb Ik je ingesloten.
Verbonden met Mijn leven, heb ik je in Christus vergeven.
Samen zullen we alles geven zodat je Mijn leert gehoorzamen als je Vader
en ik je kan tonen Mijn GENADE.’
En Hij zei: Een zeker mens had twee zonen. 12. En de jongste van hen zei tegen zijn vader: Vader, geef mij het deel van de goederen dat mij toekomt. En hij verdeelde zijn vermogen onder hen. 13. En niet veel dagen daarna maakte de jongste zoon alles te gelde en reisde weg naar een ver land en verkwistte daar zijn vermogen in een losbandig leven. 14. En toen hij er alles doorgebracht had, kwam er een zware hongersnood in dat land en begon hij gebrek te lijden. 15. En hij ging heen en voegde zich bij één van de burgers van dat land, en die stuurde hem naar zijn akkers om de varkens te weiden. 16. En hij verlangde ernaar zijn buik te vullen met de schillen, die de varkens aten, maar niemand gaf hem die. 17. En nadat hij tot zichzelf gekomen was, zei hij: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom om van honger. 18. Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u. 19. En ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden. Maak mij als één van uw dagloners. 20. En hij stond op en ging naar zijn vader. En toen hij nog ver van hem verwijderd was, zag zijn vader hem en deze was met innerlijke ontferming bewogen en hij snelde hem tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem. 21. En de zoon zei tegen hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u. Ik ben niet meer waard uw zoon genoemd te worden. 22. Maar de vader zei tegen zijn dienaren: Haal het beste gewaad tevoorschijn en trek het hem aan en geef hem een ring aan zijn hand en sandalen aan zijn voeten. 23. En breng het gemeste kalf en slacht het, en laten we eten en vrolijk zijn. 24. Want deze, mijn zoon, was dood en is weer levend geworden. En hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn. 25. Zijn oudste zoon nu was op de akker. En toen hij dichter bij huis kwam, hoorde hij muziek en reidans. 26. En nadat hij één van de knechten bij zich geroepen had, vroeg hij wat er aan de hand was. 27. Deze nu zei tegen hem: Uw broer is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem weer gezond teruggekregen heeft. 28. Maar hij werd boos en wilde niet naar binnen gaan. Toen ging zijn vader naar buiten en spoorde hem aan. 29. Maar hij antwoordde en zei tegen zijn vader: Zie, ik dien u al zoveel jaren en heb nooit uw gebod overtreden en u hebt mij nooit een bokje gegeven om met mijn vrienden vrolijk te zijn. 30. Maar nu deze zoon van u gekomen is, die uw bezit met hoeren opgemaakt heeft, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht. 31. En hij zei tegen hem: Kind, jij bent altijd bij mij en al het mijne is van jou. 32. Wij zouden dan vrolijk en blij moeten zijn, want deze broer van jou was dood en is weer levend geworden. En hij was verloren en is gevonden.
Lukas 15: 11 – 32

