Torah 1

Overdenking bij Psalm 19

Schepping en wet vertellen Gods eer 
1Een psalm van David, voor de koorleider. 2De hemel vertelt Gods eer, het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen. 3Dag op dag spreekt overvloedig, nacht op nacht geeft kennis door. 4Geen spreken is er, geen woorden zijn er, hun stem wordt niet gehoord. 5Hun richtlijn gaat uit over heel de aarde, hun boodschap tot aan het einde van de wereld. Hij heeft daar een tent opgezet voor de zon. 
6En die is als een bruidegom, die zijn slaapkamer uit gaat; hij is vrolijk als een held om snel het pad te lopen. 7Aan het ene einde van de hemel is zijn opgang, zijn omloop is tot het andere einde; niets is verborgen voor zijn gloed. 8De wet van de HEERE is volmaakt, zij bekeert de ziel; de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar, zij geeft de eenvoudige wijsheid9De bevelen van de HEERE zijn recht, 
zij verblijden het hart; het gebod van de HEERE is zuiver, het verlicht de ogen. 10De vreze des HEEREN is rein, zij houdt voor eeuwig stand; de bepalingen van de HEERE zijn waarachtig, met elkaar zijn zij rechtvaardig. 11Zij zijn begerenswaardiger dan goud, ja, dan veel zuiver goud; en zoeter dan honing en honingzeem uit de raat. 12Ook wordt Uw dienaar daardoor gewaarschuwd, in het houden ervan ligt groot loon. 13Wie zou al zijn afdwalingen opmerken? Reinig mij van verborgen afdwalingen14Weerhoud Uw dienaar ook van hoogmoed. Laat die over mij niet heersen; dan zal ik oprecht zijn en vrij van grote overtreding. 15Laat de woorden van mijn mond en de overdenking van mijn hart welgevallig zijn voor Uw aangezicht, HEERE, mijn rots en mijn Verlosser! 

Psalm 19

Wist je dat?

  • Psalm 19 getypeerd kan worden als een scheppingspsalm, maar kan ook als wijsheids- of Thorapsalm worden geclassificeerd. 
  • Psalm 19 in twee hoofddelen uiteenvalt:
    • 2-7       Gods majesteit wordt gezien in de schepping 
    • 8-15     Thora
    • 8-11     de Thora zelf 
    • 12-15   toepassing van de Thora in het hart 
  • De betekenissen van Thora zijn: wet, onderwijzing, onderricht, richting(geving) (van Gods kant of van de mens), wetboek, de Deuteronomische of Mozaïsche wet. 

Beschouwing

Wat doet God Effect op de mens 
De wet van de HEERE is volmaakt zij bekeert de ziel 
de getuigenis van de HEERE is betrouwbaarzij geeft de eenvoudige wijsheid 
De bevelen van de HEERE zijn recht zij verblijden het hart 
het gebod van de HEERE is zuiverhet verlicht de ogen 
De vreze des HEEREN is rein zij houdt voor eeuwig stand 
Vers 8 – 11  

In Exodus 19:5 lezen we dat als Israël nauwgezet de Stem van God gehoorzaamt en Zijn verbond in acht nemen, dan zullen zij Zijn persoonlijke eigendom worden. 

Daarna wordt het verbond in Exodus 24 gesloten, met de geboden in de hoofdstukken 20-23 als uitgangspunt. 

De bepalingen in Leviticus zijn aanvullingen en die in Deuteronium vormen een herhaling en toespitsing op het beloofde land. 

In de verzen 8-11 beschrijft de schrijver wat de Torah kan betekenen in iemands leven. In Deut. 4:4-9 maakt God duidelijk aan het volk Israël wat het inhoudt om te luisteren naar Gods geboden. Je kunt volgens mij stellen dat de wetten zelf positief zijn, maar dat de problemen aanwezig zijn bij de mensen. Daarom wordt later in Jeremia 31: 27-40 het nieuwe verbond beloofd. Jezus zegt hierover bij de instelling van het Heilig Avondmaal ‘…. deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt’ (Luc. 22:20). Jezus legt in Matt. 22:37-40 uit wat de kern is van het grote gebod in de wet. De wet van Jezus wordt daarom ook wel de wet van de liefde genoemd. De torah in het Oude Testament is niet afgeschaft, maar vervuld door de Here Jezus Christus (Matt. 5:17). 

We kunnen nog steeds ons best doen om ons te houden aan de Torah en te luisteren naar God. Wij hoeven niet meer te voldoen aan de eis van de wet, dat heeft Jezus voor ons gedaan. En Hij heeft ook de plaatsvervangende vloek van de wet op Zich genomen (Gal. 3:13). 

Door Jezus worden wij vrijgepleit van de vloek van de wet; dat is pure genade, dat is de liefde van God onze Vader die zoveel van ons houdt (Joh. 3:16).